Nieuw begin
Nieuw begin
Bagger, stront, rotting
barbeste mest
juichend summum van chaos
jubelend tot over de rand
met de wind in de rug genomen en genoten
verlangend naar het einde
onbekend met nieuw
Ik zwoeg en hijg
slovend en vallend klauter en klim ik
op weg naar die verlossende rand
de plaats waar men zich ontdoet
van al wat stront en rotting is
barbeste mest
voor het jonge en nog schone gras
Fragment uit “Goede tuinders Slechte tuinders”
Zaterdag vóór Kerstmis
De blauwe deur, die voor zijn neus was opengetrokken, viel direct achter zijn rug weer in het slot. Voetstappen, slissende kleding en holle gedempte stemmen volgden. “Hier rechts”, hoorde Theus. De deur van de politiecel draaide zwaar open.
Hij had kerstinkopen willen doen met zijn vrouw, maar wat begon als een gezellige zaterdagmiddag, een gepland bezoekje aan de stad, werd plotseling ruw verstoord: een inval van rechercheurs van politie. Op een laan die normaal gesproken de rust zelve is in het weekend, was dit toch wel het laatste waar hij op had gerekend.
Wat unheimisch keek hij om zich heen en liet de film nog maar eens afdraaien.Net als bij een ongeluk was het, de ene seconde is nog normaal, passend in het plan, en in de volgende ben je in een compleet onoverzichtelijke situatie. Nog voor hij en Riet er erg in hadden, was het gebeurd, politielui in burger. Met het legitimatiebewijs in de aanslag. Nog vóór hij zich besefte wat ze kwamen doen, stond hij vragen te beantwoorden: “Bent u Mattheus Buruma? Kunt u zich legitimeren?” en, “laat u alles staan zoals het nu staat”, of, “wat zit er in die kast?” Het hele huis hadden ze overhoop gehaald. Kasten en laden gingen op z’n kop, z`n bureau werd doorzocht, de computer werd afgekoppeld. Theus stond erbij en keek ernaar, minuut na minuut, steeds verder in sprakeloos gebracht.
Hij liet zijn adem zwaar lopen en liep een paar stappen verder de cel in. Wat hij er nu van begreep was, dat ze hem na oeverloos heen en weer gepraat, `het bezit van verboden uitheemse planten´ ten laste hadden gelegd. Maar moest hij daarvoor in hechtenis worden genomen? Hij had nog gedacht aan een grap: verboden uitheemse planten? Sinds wanneer zijn geraniums verboden uitheemse planten? Hij, onbeduidend kwekertje? Ze hebben het wel eens over onbegrijpelijk, maar zo moet zijn gezicht hebben gesproken. Verbijsterd past beter. Wat moesten voorbijgangers niet denken? Vanaf de provinciale weg kon je het spektakel zien staan. Politiewagens met zwaailichten, piepende banden, een legertje agenten. Niet op de oprit naar het huis, maar langs de kant van de weg stonden ze. Zodanig dat andere auto’s maar met moeite zouden kunnen passeren. Er wonen een zestal gezinnen op de Kloosterlaan. Kun je je voorstellen hoe dat gaat? Dat gaat als een speer door het dorp. Vul maar in: is hij het niet? En hij niet? Nou dan is het daar niet pluis, zie je nou wel, we hebben het altijd al gezegd! Zo gaat dat toch op een dorp!
Theus knoopte zijn jas open en zocht een plekje om te zitten. Geen stoel te bekennen. Narrig en doelloos wroette hij in z’n zakken. Hij kon zich zo’n zelfverzonnen verhaaltje goed voorstellen in een dorp als het zijne. Het begint met een mug en het eindigt met een kudde olifanten, dat is altijd al zo geweest en zal ook nooit veranderen. En waar gaat het helemaal om? Ze hebben niet eens de moeite willen nemen om zijn verhaal aan te horen. En dan de manier waarop! Wat een brute kracht voor een klein mannetje die nog nooit een politieauto van binnen had gezien. Nou als je met alle geweld wilt opvallen.
Achter zijn rug sloot de celdeur zich met een irritante piep. De slotbaarden vielen met een klik in de verschillende sluitplaten en als automatische reactie keek hij in de richting van de deur: de vrijheid was hem ontnomen.
Fragment uit ‘Schipperen naast God’ 1.
Wat kan ik zeggen van een dorp als De Heul? Het was het kleigat van het Westland waar, afgezien van wat werkvolk, meer boeren dan tuinders woonden. Misschien week De Heul van de rest van de dorpen in het Westland af, omdat ongewoon veel schippers er hun thuishaven hadden. Het was in ieder geval niet meer dan een verzameling huizen rondom een brug en als zoiets een dorp wordt genoemd, dan was De Heul een dorp.
In de winter was het er een stille boel. Bevroren weilanden en bevroren modder op de wegen, waarin de hoefafdrukken van paarden soms tot maart bewaard bleven. Het enige dat men er hoorde was het hakken van hout en het enige dat men er zag bewegen was de rook uit de schoorstenen. In de zomer geurde het boerenland naar stront en weidebloemen, hoorde je stalgeluiden in de vroege morgen en waren de muggen voor je gezicht een constante ergernis. Ik kan me nog herinneren dat de Kerkstraat en de Lange Wateringkade maar voor een deel waren geplaveid en dat het slop met de arbeiderswoningen onder aan de brug, waar wij woonden, tijdens regenachtig weer net zo modderig was als het stuk weiland rond een voertrog.
De geschiedenis van De Heul is verbonden met de waterwegen, die lang geleden tijdens het inpolderen gegraven zijn. Ze voerden het water af toen deze polders werden uitgeveend en vormden tevens de verbinding tussen een aantal kreken en riviertjes in het gebied. Zo vormden de Lange Watering en de Holle Watering de verbinding tussen de Zwet bij de Lier en de Wen bij Loosduinen. De Wen op zijn beurt gaf via de Loosduinse Vaart toegang tot het stadse ‘s-Gravenhage en de Zwet stond via de ‘Monster Watering’ en de ‘Zijde’ in verbinding met de ‘Vlaardingsevaart’, die op zijn beurt weer toegang verschafte tot het Rotterdamse gebied en Delft. Halverwege de Holle Watering kon je linksaf de ‘Gantel’ op. Dit oorspronkelijke getijdenriviertje, dat in lang vervlogen tijden in de Maasmond uitkwam, is in die zin belangrijk dat het vanaf Monster de meeste Westlandse dorpen onderling verbond. Haaks op de Holle en de Lange Watering liep een karrenspoor met de naam Broekweg, dat Wateringen met Naaldwijk verbond. De Heulbrug, die de Broekweg over de Lange Watering moest brengen, is de oorsprong van Kwintsheul. Maar zo noemen wij dat niet; voor ons is Kwintsheul gewoon De Heul.
Ik weet nog dat er net even buiten De Heul, op weg naar Naaldwijk, een slagboom was, die als tol fungeerde en die tegen een vergoeding werd geopend. Als voetganger kon je vrij doorlopen, maar zodra je bijvoorbeeld vee of een boerenwagen bij je had moest je betalen. De tarieven voor paarden, met of zonder kar en voor vee konden wel tot vijf cent per stuk konden oplopen. De slagboom werd bediend door gemeenteambtenaar Jaap Beekenkamp. Hij had daar volgens de gemeente, zoals ze dat tegenwoordig noemen, een deeltijdbaan aan, want aan het doorlaten van anderhalve paardenkop op een dag had hij natuurlijk geen volledige dagtaak. Wel moest hij de hele dag op zijn post blijven, maar dat vond men uiteraard niet gelijk aan werk. Daarom was hij ook dorpsomroeper, doodbidder en lampenaansteker. Dat laatste gold voor de twee olielampen in de onmiddellijke nabijheid van de brug, waarbij hij de kunst verstond om met een afgepaste maat olie de lamp te ontsteken, zodat de vlam midden in de nacht vanzelf weer doofde. Zeven dagen in de week hield Jaap de wacht bij de tol, zorgde hij bij weer en ontij voor de schaarse verlichting, was hij omroeper bij elke openbare spekverkoop die hij bekendmaakte met een gong en een harde stem en ging hij als doodbidder langs de huizen als er weer een dorpsgenoot was heengegaan.
En nog kon hij er niet van rondkomen.
’
Doorzetten (open brief aan het schrijverscollectief)
Een man speelt gitaar. Hij oefent en oefent, totdat het instrument naar behoren wordt beheerst en een leuk repertoire is opgebouwd. Dan gaat hij op zoek naar geestverwanten, want een groep muzikanten verhoogt zijn mogelijkheden. Samen bouwen ze aan het repertoire dat bij de instrumenten past en, zie daar, ze gaan optreden. Eerst in een rokerige kroeg, op een verhoging van dertig centimeter, maar langzaamaan toch onder betere omstandigheden. Er worden nieuwe muziekinstrumenten gekocht, er wordt een vijfde muzikant aangetrokken, het repertoire wordt verder uitgebreid, ze halen het nieuws in de plaatselijke krant en verdomd, de hele zaal zit vol op zaterdagavond.
Een vrouw wordt lid van de plaatselijke toneelvereniging. Haar man, haar familie, haar buurvrouw roepen het al jaren: “Jij, met jouw talent, zou je moeten aansluiten bij de toneelgroep.” Na een tijdje vindt ze genoeg zelfvertrouwen om die stap te wagen en doet ze auditie. De regisseur luistert en knikt. Hij vraagt haar het nog eens te doen, maar dan anders. Weer knikt hij, mmm, ze heeft wel talent, maar ze moet nog veel leren. De vrouw wil dat wel, ze voelt de kritiek als een uitdaging. Ze bezoekt elke week trouw de repetities en werkt ook thuis aan het stuk dat nu op de rol staat. Ze krijgt er lol in en gaat met sprongen vooruit. Nu pas ziet ze dat talent niet genoeg is. Dat ze, door met anderen te werken, veel heeft geleerd.
Een goed schilderij komt tot stand door oefening. De beginnende schilder zal met vallen en opstaan uiteindelijk tevreden zijn met zijn eerste schilderij. Hij kijkt er nog eens naar, maar dan verschijnen de eerste barsten in zijn zelfvertrouwen. Het moet anders, beter de volgende keer, denkt hij. Er komt een tweede schilderij, met als resultaat: beter dan alle vorige werken. Toch is hij niet tevreden. Hij besluit om via internet een groep geestverwanten op te zoeken. Er moet een input van buitenaf komen, er valt nog veel te leren. Hoe meng ik mijn kleuren, wanneer gebruik ik welke kwast, wat is de functie van een palletmes, wat snij ik, hoe repareer ik. Het zoveelste doek komt uiteindelijk van zijn schildersezel. De schilder kijkt en is redelijk tevreden. Hij heeft iets geleerd over opstelling, over decor, over perspectief en over atmosferische vervaging. Hij kan ermee voor de dag komen.
Een groep schrijvers komt enthousiast bijeen om gezamenlijk een website in de lucht te brengen. Ze geven zich op, schrijven een stukje over zichzelf en leveren één stukje, twee stukjes, drie stukjes in. De teller wordt opgezocht om het resultaat te meten. Niets. Stilte is het enige meetbare medium. ‘Goh, we trekken geen bezoekers, hoe kan dat nou?’, lees ik in een ingekomen stukje. ‘Nou, als het zo gaat, dan houd ik het wel voor gezien’, zegt een ander.
Schrijven schijnt een van God gegeven gave te zijn. Het zit in je. Toch? Je bent er al, je had al lezers bij je geboorte. Waarom jezelf nog verder verbeteren?
© Paul Waterman 2010-12-08
Fragment uit “Tomatenblues”

Fragment uit “Tomatenblues”
Er waren een aantal petten die hij gebruikte. Een witte katoenen pet voor de zon, een dikke donkerblauwe corduroy voor de kou, eentje voor de gang naar de zondagse kerk en een oud exemplaar voor het werk tussen de tomaten. Zijn bezigheden bepaalden zijn petkeuze, maar zonder pet: dat bestond niet. Behalve bij het gebed natuurlijk. Bidden aan tafel en in de kerk, daar paste geen pet bij, maar voor de rest.
Wat we ooit als een grap hadden bedoeld, was nu dus werkelijkheid geworden, dacht ik. Zoals een ander een pyjama draagt, lag pa hier nu met zijn pet op in bed. Een man van het leven, nu afhankelijk van anderen, met zijn pet als enige overgebleven zekerheid. Zoals ie daar zat was pa eigenlijk niks veranderd. Ook vroeger al pakte hij zijn pet duizend keer per dag tussen duim en wijsvinger, om hem al slepend van voor naar achter te trekken. Zo hield hij zijn nekharen onder zijn pet. Een ‘kale kontengezicht’, noemde moeder Co dat, “Laat die haren nou toch eens zitten man. Loop niet altijd aan die pet te trekken.”
Vader Freek schokte iets en keek verward op.
“Hallo pa”, zei ik nogmaals en zo vrolijk mogelijk. Ik wreef hem daarbij zachtjes over zijn schouder.
Langzaam gleed Freeks verwonderde blik over het lichaam van de vreemde man naast zijn bed. “Van wie ben jij d’r een?”, klonk het ineens verontwaardigd. “Wat kommie doen?”
Ik zag hoe mijn vader met zijn vrije hand de dekens omhoog trok en ze daar stevig omklemd hield. “Ik ben Laurens. Kent u me niet meer?” Ik probeerde rust in mijn stem te laten doorklinken, “Ik kom eens kijken hoe het met u gaat.”
Pa trok zijn ogen op en liet tegelijkertijd zijn mondhoeken zakken. “Laurens woont in Frankrijk”, blafte hij. “Die komt niet meer naar huis. Dat is te ver.” Strak voor zich uitkijkend kneep hij het bloed zover uit zijn lippen dat er nog slechts dunne streepjes te zien waren.
Ik boog me voorover, niet van plan me uit het veld te laten slaan. ”Kijk nou eens goed, pa. Kijk nou nog eens goed.”
Het duurde een ellenlange seconde voordat hij weer bewoog. Langzaam draaide hij zijn onderzoekende gezicht en werd ik vanonder zijn borstelige wenkbrauwen centimeter voor centimeter opgenomen.
“De tomaten. Hebbie de tomaten al geplokt?” Zonder enige intonatie sprak hij.
“Ja pa, de tomaten zijn geplukt”, antwoordde ik zachtjes.
“En de kroontjes? Ik ken jou!” Dreigend stak hij zijn wijsvinger op. “Heb je de kroontjes eraan laten zitten? Laat me je duimen eens zien.”
Ik toonde hem mijn duimen. “Ja pa, ik heb de kroontjes ook mee geplukt.”
“En de onderste? Heb je onder aan de struik goed nagekeken? Meestal moeten we jouw pad nog weer doorlopen.”
“De onderste heb ik ook meegenomen, pa, echt waar. Het is helemaal goed gegaan deze keer.”
© Paul Waterman 2011-01-16
PING AN
Wat droesig uitbuikend, lig ik, de eerste week van het nieuwe jaar voor de televisie en kijk naar zwart-wit beelden die de WOS uitzendt. Zwart-wit? Gaandeweg kom ik overeind, kijk ik hier naar mijn jeugdjaren?
1965 was het, vijfenveertig jaar terug. Negen maanden lang was die stranding een bepalend beeld, voordat het laatste stuk roest was verwijderd. Negen maanden lang was er daarom spektakel voor jongens zoals wij. De stranding, de tweede storm, je kon uiteindelijk met je Puchie om de stalen kolos heen rijden en dat deden we dan ook regelmatig. De poging om het gestrande schip vlot te trekken, het besluit van Delfland tot de uiteindelijke sloop, het kapotsnijden zelf, zijn door ons vanaf dag één gevolgd.
We leven in het jaar 2011. Ik zit/lig comfortabel op een bank en kijk naar een LCD scherm van één meter doorsnee. De beelden op het scherm zijn niet enkel geschiedenis. Ze laten me gewaar worden, hoe groot een sprong vooruit kan zijn in maar één mensenleven. Op elk gebied, wel te verstaan. De film was destijds gemaakt in zwart wit op cellulose. Flakkerend, bibberend en met onderbelichte beelden. December was een donkere maand, dus waren het donkere opnames. Beelden van een grijze zee, met donkere silhouetten van schepen op de horizon. Geen schepen die op een apparaatje ter grootte van een Ipod hun koers bepaalden, nee, ze voeren op een gegist bestek, zo heette dat. Men wist ongeveer waar het schip zich bevond. Posities werden nog bepaald met behulp van het sextant dus geen zon, geen positie. Op de brug werd gecommandeerd met de scheepstelegraaf: een ronde klok met een handel, waarmee de aandrijving van het schip kon worden gecommandeerd. Full, half, slow en stop: naar links vooruit en naar rechts achteruit. Communicatie naar de machinekamer door middel van staaldraadjes, dus. Maar, was er dan geen sprake van een intercom?, zul je vragen. Ja, dat wel, maar dan via de spreekbuis: je moest er recht voor staan en hard kunnen schreeuwen.
Het schip dat van onderaf werd gefilmd, liet de geteerde scheepshuid zien. Lekker giftig, zodat de zeepokken en andere soorten aangroei er niet op kon gedijen. Het lag er, als een dode reuzenslak, te wachten op de sloper. Slopen gebeurde zonder enige bescherming, want ‘gevaar zien’ is voor vrouwen en de baas vond al gauw dat je zeurde. Het asbest uit de machinekamer verdween naar de polder, waar boer en tuinder het gebruikte om er het toegangspad mee te verharden. Overtollig sloopmateriaal werd op het strand verbrand want ‘al wat verbrandt dat verrot niet’. Vuile olie liep de zee in, omdat het over zes uur toch weer hoog water was. Niemand die verontrust reageerde. Ben je gek, ruimte en water genoeg.
De film is ten einde: ik ben weer helemaal bij. Héhé, dat lucht op. Mochten er nog mensen zijn die het nieuwe jaar niet zien zitten. Die vinden dat we met z’n allen naar de verdommenis gaan. Die mensen raad ik aan om naar deze film te kijken. Wedden dat 2011 positief begint!
© Paul Waterman 2011-01-05
Paul Waterman, WOS, ping an, Ter heijde, 1965, 2011, olie, asbest,
Kerstmis 2010
Hoe lang bestaat Kerstmis al? Lang vóór onze jaartelling, was het een Midwinterfeest. Toen al wisten we dat de zon de zin van alles is, dus de kortste dag een dag is om te vieren.
Ook ons huidige kerstfeest is het feest van het nieuwe begin, alleen veranderde men van onderwerp. Het werd het feest van de geboorte van het kindeke Jezus, het begin van het nieuwe verbond. Het verhaal vertelde van een bijzondere baby, het kind van God. Het was een kind dat er ineens was, want de Roomse kerk hield niet van barende vrouwen. Ook was het koud in Bethlehem, getuige de rijp op de daken. De bikkels van herders, in die barre winter toch in het veld gebleven, hadden zojuist hun schaapjes geteld en kwamen al direct kijken. En terwijl de engelen zongen en koningen uit tropische landen, die een ster hadden gevolgd, met hun cadeaus binnen dropen, liep het tegen het nieuwe jaar. Hans Cristian Anderson had het niet kunnen verzinnen.
Op zichzelf is het ontzettend knap dat men een zo belangrijke Midwinterfeest wist om te buigen tot dit sprookje. Een onuitroeibare gebeurtenis moet je niet proberen uit te roeien, moet de gedachte zijn geweest. Eeuwen gingen voorbij en niemand die er zijn vraagtekens bij had: de opzet was z ó sterk dat het zelfs geen twistpunt was tijdens de reformatie. Dit alles hebben we te danken aan een uitgedokterde strategie van Roomse marketeers avant la lettre. Kom daar nu maar eens om. Stel je voor dat de tegenwoordige marketeers een succesformule zouden ontwikkelen, die voor de concurrent zou kunnen gaan werken.
Werkt u met Microsoft? Vindt u het ook zo’n goede Apple-applicatie?
Bent u dit jaar op skivakantie geweest? Met wie, met Neckermann? Hoe vond u de ‘Arke’sneeuw?
Toch moeten we de reclamewereld niet onderschatten. Met de hedendaagse kennis wordt naarstig gezocht naar de sleutel van het geheim om ons mensen onvoorwaardelijk over te halen tot het kopen van iets. Wetenschappers, universiteiten, studieprogramma’s alles is gericht op dé beslissing in het mensenbrein. Waar kijken we naar, wat is ons koopgedrag, hoever zijn we bereid te gaan. Daarbij is men erachter gekomen dat sprookjes het eigenlijk nog steeds goed doen. Vandaag de dag zien we de Kerstman door de lucht suizen in een grote, bloedrode vrachtwagen, compleet met bellen op zijn blozende bumpers, lichtjes op zijn contouren en een vrolijk deuntje vanonder de motorkap. Misschien wordt in het jaar 2050 de algemene gedachte dat Kerstmis het feest is van Coca-Cola. Dat we deze drank der dranken het komende jaar weer kunnen drinken, mits we in het kerstfeest blijven geloven.
Als dat zo is, als onze kinderen in een donkere kerstnacht gaan wachten op de komst van de Grote Rode Cola-auto, dan prefereer ik toch het sprookje van een nieuw en bijzonder kind. Al dan niet arm geboren, maar met warm stro als eerste bed.
© Paul Waterman. 2010-12-17
Vingerling versus Tomatenblues
Beste Jan Peter,
Ik heb tien dagen kunnen nadenken over deze bizarre situatie. Jij vertelde me geen boeken van mij in één van jouw winkels te willen hebben, omdat ik ook zaken doe met de BRUNA boekwinkels. Verbijstering alom, dat zul je begrijpen. In die tien dagen hebben kennissen van mij toch geprobeerd het boek ‘Tomatenblues’ bij jou te kopen of te bestellen. Het antwoord van de medewerkers luidde: “Wij weten niet van het bestaan van Tomatenblues.” Bij Jacqueline, jouw lieve vrouw, ging het nog wat verder: “Die meneer heeft geen principes. Daar doen we geen zaken mee”, klonk het dan snibbig.
Nu is het vreemde aan de hele zaak, dat andere Westlandse schrijvers wel bij Vingerling vertegenwoordigt zijn, terwijl hun boeken toch ook bij de BRUNA boekwinkels liggen. Hoe kan dat? Ik ben op zoek gegaan naar de oorzaak en denk deze, hoe bizar ook, te hebben gevonden.
“Schipperen naast God” liep ongekend goed in het Westland. Bij Vingerling zijn er vanaf 2006 minimaal 3200 stuks over de toonbank gegaan. Ik kan daarom de brutowinst voor dit boek met zekerheid vaststellen op € 30.000,- Voor Vingerling Boekhandel, niet voor mij. Bij het tweede boek ‘De Succulentenkweker’ belde ik jou, alvorens te bestellen. Tenslotte ben jij de algemeen directeur bij Vingerling. Jij vroeg me om 800 boeken. Die raakte je in no time kwijt, wist je. “O ja. Doe er ook nog maar 300 stuks ‘Schipperen naast God’ bij ”, hoorde ik nog net bij het verlaten van het pand. Vier maanden later kreeg ik een email van Jacqueline, ik moest de helft terughalen, het boek liep niet. Nu moet ik sinds een jaar of vier niets meer, maar ik besloot je toch te bellen: hier moesten we zien uit te komen. Met een krijsende Jacqueline op de achtergrond, nodigde je me op gedempte toon uit om een keer te komen praten. Dat klonk al veel beter en een maand later – ik was in Nederland – wipte ik even aan. Ondernemer als ik ben, had ik berekend dat het bruto verlies op het boek ‘De Succulentenkweker’ maximaal € 3000,- en minimaal € 0,- was. We kwamen er zeker uit, wist ik.
Weer was het Jacqueline die me met overslaande stem liet weten dat ik de boeken moest terugnemen. Ik had ze ook in andere winkels liggen en dat was niet de afspraak, zei ze. Had jij dat haar verteld, Jan Peter? Dat jullie, als Vingerling Boekhandel, de alleenverkoop hadden? Moet je je, voor al je dagelijkse beslissingen op die manier verantwoorden? Rare smoes trouwens, want het boek ‘Schipperen naast God’ lag ook in diverse andere winkels.
Jij trok me stilletjes mee naar een aftands kantoortje op de eerste verdieping. “We moeten het nog maar even aankijken”, fluisterde je. “Er komen in augustus nog een aantal festiviteiten, zoals Braderieën en dergelijke. Daar kan ik ze altijd nog tegen een klein prijsje proberen te verkopen.”
Hier moet het zijn misgegaan. Mijn conclusie is dat dit niet is gelukt en dat je dus met een aantal boeken bent blijven zitten. Wetende hoe jouw vrouw Jacqueline kan reageren, neem ik aan dat ze je alle hoeken van de winkel heeft laten zien.
Beste Jan Peter. Hoe moet ik dit nu duiden? Ik kan alleen maar concluderen dat je eigenlijk niet de directeur bent van Vingerling, maar een ordinaire zetbaas. Een directeur van krattenhout, maar dan ook nog zonder inhoud.
Je begrijpt, ik heb nog maar één doel. Vingerling.
Paul Waterman
Tomatenblues
Hoera, mijn nieuwe boek is uit
Het boek draagt de titel “Tomatenblues” Ik vond die titel op mijn kussen, toen ik op een iets te vroege morgen wakker lag. Beter kan niet, dacht ik, Tomatenblues zegt alles over het Westland van mijn jeugd. Van vreugde en verdriet, van tegenstellingen en eensgezindheid, van emotie en hardheid, van optimisme en tegenslag. Vraag me niet hoe het zo gekomen is. Ik was van plan een boek te schrijven over jeugd in de jaren zestig. Over beat en bandjes, over bier en biljart, over bakkies lauwe thee en bakkies tomaten. Toen, opeens was het verhaal er. Mijn tijd in Frankrijk is er in verwerkt, mijn verwondering voor het moderne tuinieren, mijn woede over de kilheid van vandaag en mijn heimwee naar jeugd.
In “Tomatenblues” maken we kennis met de geboren Westlander, Laurens van Schie. Lau, zoals hij wordt genoemd, is het vijfde kind in een gezin van zes en geboren in het achterste huis op de laan. Het is het aangrijpende relaas van een man die, na tientallen jaren te zijn weggeweest, terugkeert naar zijn oude vertrouwde stekkie. Het bericht, dat zijn vader niet lang meer te leven heeft, laat hem beseffen dat het laatste lijntje, dat hem verbindt met zijn geboortegrond, op het punt staat te worden doorgeknipt.
Lau’s jeugd was een jeugd zoals veel kinderen in tuindersgezinnen die kenden. Buiten de tijd die op school werd doorgebracht en de pret van het spelen tussen kassen en in slootkanten, moesten er ook klusjes worden gedaan en al snel veel meer dan dat. Al vroeg voelt Lau dat dit werk niets voor hem is en wordt hij het buitenbeentje, het zwarte schaap in de familie. Voor hem staat het woord ‘tomaten’ synoniem voor geld, drank en zwarte lol. Nadat zijn huwelijk met Nanneke eveneens op de klippen is gelopen, probeert hij de narigheid achter zich te laten en verhuist hij naar Frankrijk. Daar komt hij uiteindelijk terecht in het Franse dorp ‘Bartres’, nabij Lourdes, waar hij, samen met zijn Franse vriendin Suzette, een nieuw leven opbouwt. Hier begint het bloedstollende verhaal dat hem uiteindelijk bij het beeld van Maria Lourdes brengt, dat zich achter de Heilige Machutuskerk in Monster bevindt.
Het boek zal veel vragen oproepen. Waar is hij geweest, wie heeft hij gesproken, wat is hem overkomen? De lezer wordt geconfronteerd met een wirwar van indrukken.
Tomatenblues is verkrijgbaar op mijn site www.paulwaterman.nl/boeken, op de site www.schrijvers-tussen-de-kassen.nl/ en bij alle Westlandse BRUNA Boekwinkels.
Waarom dan niet bij Vingerling, zul je vragen. Bij Vingerling werd me verteld dat ze geen zaken wensen te doen met schrijvers die ook zaken doen met BRUNA. Geloof je het niet? Dan nog een keer! “Jij wilt toch zo graag dat je boeken bij de BRUNA liggen?”, zei Jan Peter Diepersloot van Vingerling Boekwinkels. “Kom dan niet ook bij ons aankloppen.
Hoezo, neringziek?
© Paul Waterman 2010-12-03
Sint Niklaas 2025
Sint Niklaas 2025
“Mijnheer Waterman, komt u ook naar beneden? Over een half uur begint het.”
Ik liet de krant op mijn schoot zakken en keek naar de deur van waarachter ik het geluid hoorde. Zou ze er nog staan? Na een tiental seconden te hebben gewacht, trok ik de krant weer verticaal en zocht het verhaal dat ik door haar toedoen had onderbroken.
“Mijnheer Waterman. Bent u daar? Hebt u me gehoord?”
“Ja, ik heb u gehoord mevrouw, maar moet dat? Kunt u niet zonder mij?”
“He toe, wees nou geen spelbreker. Sint Niklaas is er ook voor u”
Ik glimlachte gemoedelijk. “Hij zal me echt niet missen hoor, denk ik.”
“Wat zegt u?”
“Dat hij me niet missen zal,” riep ik, over de krant heen.
“Wacht, ik kom wel even binnen.”
“Met uw knecht?”
“Mijnheer Waterman, doe niet zo flauw.”
“Over flauw doen gesproken”, mompelende ik, zoekend naar het betreffende artikel.
Ik hoorde haar sleutels narinkelen en zag haar voeten, in bruine Birkenstocks gestoken, onder mijn krant door: vastberaden ietwat uiteen, zoals dijkbewakers een windvlaag opvangen. Lezen kon ik niet meer, maar waarom zou ik mijn krant laten zakken. Ik wist al wat zij wilde en zij wist hoe ik daarover dacht. Ik had daar niets meer aan toe te voegen, vond ik. Waarom was mijn woord niet machtig genoeg om haar te overtuigen? Uit ondervinding wist ik, dat een mens na zijn pensionering niet meer serieus wordt genomen. Vaak genoeg hebben mijn kinderen me aangekeken met een ‘watweetjijdaarnouvan’ blik. Ik dacht in het begin dat dat een status was, maar het zijn eigenlijk fases, wist ik nu. Naarmate de jaren verstrijken, word je geacht meer en meer kind te worden en als je daar niet aan toegeeft, vermanend toegesproken.
“Ik sta voor u hoor!” Haar stem aan de andere kant van de krant klonk snibbig.
“Ik heb u niet gevraagd binnen te komen. Laat u mij met rust, ik heb genoeg aan mezelf.”
“Maar het wordt hartstikke gezellig beneden. Sinterklaas zelf komt.”
“Al kwam de paus, wat kan mij dat nou schelen.
De krant werd voor mijn neus weggegrist en voor me stond een vrouw die zomaar Marijke Helwegen kon zijn, of Patricia Paay op ver gevorderde leeftijd, of Freule Uittenwaal van Stoetwegen, ik wist het niet meer. “Mijnheer Waterman, u gaat het heel leuk vinden, iedereen komt, dus u moet daar ook bij zijn. Er is lekkere chocolademelk met speculaas, we hebben iemand achter de piano en er zijn cadeautjes. Dat is toch leuk?”
“Ik heb u al gezegd mevrouw, niet voor mij!”
Ze trok aan mijn mouw. “Kom. Nou niet gaan mokken, u vindt het wel leuk.”
“Laat u mij los mevrouw.”
Ze deed de deur open en liet een hele stoet vrouwen in verzorgend wit binnen. “Hij moet mee”, ordonneerde ze.
Badend in het zweet werd ik wakker.
© Paul Waterman 2010-11-24








